De Dame aan mijn zijde is net Drie geworden. Ik mag haar een dagje begeleiden en daar hoort naast eten ( twee tarwekoekjes, thee met water, twee boterhammen met pindakaas, een appel, limonade) en slapen ( in een tot tent vermomd bed en een zaklantaarn mee) natuurlijk voorlezen bij. Voorlezen, hoe meer hoe beter. Dame van Drie haalt een boek uit de stapel. O, het is een boek zonder woorden. De plaatjes zijn wel heel duidelijk. Dame van Drie luistert met meer dan gewone aandacht naar mijn interpretatie van het zindelijkheidsverhaal, vertolkt door twee beren in aquareltinten, heel prettig voor het oog. De voorplaat liegt er niet om. Vader Beer, in blauw-wit gestreepte pyama, sleurt dochtertje Beer, in gele pyama, naar twee potjes.
lees meer ...
laatst liet mijn ziel van zich weten
Ik weet het nu, ik heb regelmatig een strijkkwartet nodig om mijn ziel te wiegen.
Zou er een levende ziel zijn die niet weet dat een mens een ziel heeft? De ziel is stevig verankerd in de taal. We zeggen zielepoot, zielig, zielknijper, zielsveel, zielskracht, zielzorg, zielenrust, zijn ziel redden, zijn ziel en zaligheid voor iets willen verkopen…
Volgens Wolters’ handwoordenboek is de ziel het niet-stoffelijk gedeelte van waaruit de mens leeft. Mooi compact gezegd. Eigenaardig is dan weer dat ‘op zijn ziel krijgen’ betekent dat iemand of slaag krijgt of een standje, een uitbrander; die slaag wordt lichamelijk toebedeeld en ontvangen.
De mens zou bestaan uit lichaam, geest en ziel. Volgens hetzelfde handwoordenboek is de geest het onstoffelijk, denkend, voelend en willend deel van de mens. Wat doe je dan eigenlijk als je de geest geeft? Wanneer je sterft, de geest geeft, wanneer je lichaam ophoudt te bestaan, houdt het geheel van ideeën, gevoelens, neigingen en stemmingen op te bestaan.
Hoe vinden we de geest in de taal terug?
Wanneer je over tegenwoordigheid van geest beschikt weet je in alle omstandigheden dadelijk hoe je moet handelen. Tijdgeest is een veel gebruikt woord. Tijd is niet alleen een kwestie van klok, datum en jaar, nee , er valt een bepaalde sfeer te beleven die onvervreemdbaar bij een tijdsbestek hoort.
Blij van geest kun je zijn. Herkenbaar. Iedereen ziet je deze gemoedstoestand aan.
Maar blij van ziel, hoe gaat dat? Word je blij van ziel bij een complimentje over je duidelijke handschrift, goed vallend haar, alle stoplichten op groen of een mooi tentamenresultaat?
Wat merk je eigenlijk van je ziel?
Het geestelijk leven, het brein, is met de dagelijkse dingen in de weer, de ziel, vanuit zijn oorsprong meegenomen naar een fysiek bestaan, hoopt misschien wel dat hij zijn oorspronkelijkheid een mensenleven lang zal weten vast te houden.
lees meer ...
een beleefdheidstic van de Indische tweedegeneratie
Voor ik aan 'Ademtocht' begon, speurtocht met de pen naar mijn in zijn negenentwintigste jaar overleden broertje, vroeg ik me af of ik dat wel mòcht doen. Jazeker, als een goede, mentaal belaste Indische tweedegeneratie vroeg ik me af of ik niet eerst toestemming moest vragen aan mijn broertje. Dit is wel zo'n ingebakken tweedegeneratie eigenschap. Vragen, beleefd zijn, nooit zomaar iets doen.
lees meer ...
15 augustus 2011
Wat moet dat moet dat moet. Als ik op 15 augustus in Den Haag ben, moet ik naar de Indië Herdenking. Vanwege mijn vader en de Birma spoorweg, vanwege mijn moeder die als oorlogsweduwe in 1946 naar Nederland kwam met mijn halfzus, vanwege de vader van mijn zus, vanwege mijn nichtje die naar Californië trok, vanwege mijn ooms die de oorlog niet overleefden, vanwege mijn oma die op Java steeds maar naar het Rode Kruis ging om te vragen of haar man en zoons op de lijst van overlevenden stonden. Vanwege die dappere oma, die wilde dat ik ging feesten: "Is er een popfestival? En dan zit jij bij je oma?" "Geeft toch niet, oma, ik mag toch niet naar een popfestival." Ik was vijftien. Juist vanwege die oma.
Precies om half één sta ik opeens weer aan het hek. Er is zowaar links vooraan nog een flinke plaats open. Daar pas ik wel twee keer tussen. Geen toegangskaart, vanwege een soort van innerlijk verzet. Vorig jaar was ik er toch ook niet. Lo, nog op vakantie, ja… En nu dan?
Als de plaats van mij lijkt, komt een stevige Indische, een jongere tweede generatie, op me af, met een bepaalde blik in de ogen. Ze oogt sterker dan ik, beleefd zijn maar: "Sta ik op uw plaats?" (Uw plaats? Is deze kuil van u? Nog niet zo lang geleden claimden Duitsers op het strand hun kuil van de vorige dag.) "Ja,"zegt zij kordaat, maar ze hoort zichzelf en ze bindt in "…, maar dat geeft niet."
Ik plaats mijn zijkant tegen het hek en dan kan zij er nog goed tussen. Collega Theodor Holman, aan het woord bij het Monument, klinkt ontroerend. Als Tweede Generatie wist hij niets van het oorlogsverleden van zijn ouders. Zijn dochter, historica, zocht alles uit. Nu hoopt Theodor uit de grond van zijn hart dat zijn kleinzoon alles zal weten over zijn overgrootvader. Bravo, de cirkel is rond.
Links achter binnen de hekken lonkt een ruime groene plek. Daar zouden onze zadelstoeltjes prachtig kunnen staan. Even vragen aan één van die groenpetten bij de ingang. De minst inschikkelijk uitziende groenpet hoort mij aan en schudt zijn hoofd. "Nee," zegt hij. Wat mankeert die man! Of ben ik brutaal, of onaantrekkelijk?
Ik loop terug, maar voor ik weer gegrond ben op mijn hekplaats gebeurt er iets, heel snel, zo snel dat ik het niet bij kan houden. Mijn stevige buurvrouw kijkt me vriendelijk aan. Ze spreekt me aan. Ze klinkt opeens heel aardig. Een ommeslag. Life is strange. Alles kan. Ze geeft me een toegangskaart en zegt: "U kunt deze kaart gebruiken. Haar man is er toch niet."
Dirk heeft het door. Hij loopt al recht op de opening met de groenpetten af, hij zwaait met de kaart. Hij is ook in dienst geweest. Dat straalt er vanaf. Ik loop voor de zekerheid achter hem, als een verbouwereerde robot. En dan zitten we op één van de achterste lege rijen, in het midden en het lijkt alsof we vanaf ons eiland het hele schouwspel van het herdenken als vanuit een helikopter overzien.
"Hoe ging dat nou precies",vraag ik aan Dirk. "Een oudere mevrouw had gezien dat je naar binnen probeerde te komen. Ze stond op en gaf de kaart aan de mevrouw naast jou. Ik denk dat die mevrouw haar moeder is. Ik denk dat ze je kende." En terwijl wij liepen ging de oudere mevrouw weer zitten. Waar? Ik ben altijd van het Indische drie keer bedanken. Hoe moet dat nu?
Ik krijg een cadeau van een mevrouw van de Eerste Generatie. In luttele seconden tovert zij voor mij een Plaats in de wereld van de Indische Herdenking. Van hekdranger word ik bevorderd tot helikopterviewer. Ik ben zo van mijn sokkel gerukt door Het Gebaar dat ik niet meer aangepast kan handelen. Ik zit daar maar in mijn rode overzichtsstoel. Die lieve mevrouw vindt dat ik tussen de hekken hoor. Ze vindt dat ik hier hoor. Indische Eerste Generatie komt op voor Indische Tweede generatie. Lieve mevrouw, dank u wel. God zegene u, als u gelovig bent. Mogen de engelen u op handen dragen, als u al dan niet gelovig bent.
U hebt de wereld voor mij veranderd met uw toverkaart.